Interviews

Gezamenlijk beleid

Professor dr Gerard Schippers is een autoriteit op het gebied van onderzoek naar verslaving. Hij is psycholoog en werd ruim 15 jaar geleden benaderd door het Jellinek-centrum inmiddels onderdeel van Arkin en het AMC om deel uit te maken van een onderzoeksgroep gericht op verslaving. Zijn taak was onder meer onderzoek naar en implementatie van methodieken gericht op het behandelen van mensen met een verslaving.

Adolescenten zitten in een experimenteerfase in hun leven. Door horen alcohol en drugs nou eenmaal bij. De meeste middelen ben je echt niet meteen verslaafd aan. De meest verslavende stof kennen we overigens allemaal, dat is nicotine en die is maatschappelijk geaccepteerd. Het gebruik van alcohol en de meeste drugs met als grote uitzondering nicotine is lang niet bij iedereen en zeker niet direct een probleem. Dat ontstaat eigenlijk pas als er allemaal andere zaken spelen. Neem cannabis. Wanneer is dat een serieus probleem? Bij een aantal jongeren pas als ze ruim in de twintig zijn en ze de jaren daarvoor alleen maar met blowen bezig geweest zijn.

Motivational interviewing

Wat echt wel een probleem is: de relatie tussen middelengebruik en crimineel gedrag. Vooral alcohol en de stimulerende middelen kunnen een rol spelen bij misdrijven. Daarnaast is er een relatie met andere psychische aandoeningen. ADHD, gedragsstoornissen. Zulke achtergronden leiden ook vaak tot middelengebruik, ook omdat ze vaak een goede werking hebben.

Wat moet je nou met jongeren met zon verhaal? Wat doe je dan qua aanpak? Ik ben een van de voortrekkers van de motivational interviewing. In trainingen van zorgverleners, ook bij justitie, komt het omgaan met alcohol en drugs vaak als probleem naar boven. En dan blijkt het vaak niet zozeer te gaan om het gedrag van de cliënt, maar om de interactie tussen cliënt en begeleider en uiteindelijk om het gebrek aan helder beleid van de inrichting. In de jjis zie je namelijk een versnippering van beleid; daar kan echt nog wel het nodige verbeterd worden. Er is in de inrichtingen weinig expertise op het gebied van verslavingszorg en middelengebruik en dat is jammer. De verslavingszorg heeft vijftien jaar geleden een expertisecentrum opgericht waarin zowel professionals als wetenschappers als bestuurders van de inrichtingen zitten. Dat heet Resultaten scoren. Binnen de justitiële forensische zorg is kortgeleden een vergelijkbaar kenniscentrum KFZ (Kwaliteit Forensische Zorg) opgericht. Daar zitten bijvoorbeeld de directeuren van alle TBS-instellingen bij elkaar. Je zou in de jjis de modellen voor de aanpak van jongeren met verslavingsproblematiek moeten harmoniseren. Je moet echt één koers volgen. En je moet dat in de pedagogiek zoeken. Er moet een sterk besef zijn van het feit dat jongeren in deze leeftijd nou eenmaal op zoek gaan naar sex, drugs en rock & roll. Er zijn instellingen waar het goed gaat hoor. Maar meer systematische aandacht zou echt heel goed zijn. Dat geldt zeker ten aanzien van middelen, maar eigenlijk ook voor allerlei andere gedragszaken die je wilt aanpakken.

 

Integraal

Het pedagogisch beleid van een inrichting moet goed inspelen op het feit dat er in de inrichting middelen gebruikt worden. Want dat er gebruikt kan niemand ontkennen. En natuurlijk is het verboden, maar dat betekent niet dat je het mag ontkennen. Integendeel, je moet er in de pedagogisch beleid dit onderwerp echt serieus nemen. Maak het onderdeel van je aanpak, zou ik zeggen. Binnen je beleid moet de verslavingsaanpak een integraal onderdeel zijn. Je moet het zien als een gedragsprobleem in de sfeer van bijvoorbeeld grensoverschrijdend gedrag.

De motiverende gespreksvoering is een belangrijk en goed instrument daarin. In de verslavingszorg is het een basisinstrument dat iedere medewerker moet kunnen hanteren. Als je dan kijkt naar de jjis is het eerst zaak dat ze de ouderlijke rol pakken. En dat er vanuit een meer opvoedkundige invalshoek beleid wordt ontwikkeld. Daar hebben veel jongeren ook behoefte aan, omdat je zo meer naast hen komt te staan. Als je weet dat er drugs in je instelling binnenkomen, kun je niet net doen of dat niet zo is. Hoewel het dus niet mag, moet je er wel beleid op maken. Je kunt dan niet alleen een beheersmatige koers varen.

 

Dezelfde taak

Maatschappelijk gezien hebben de Ministeries van Veiligheid & Justitie en van VWS dezelfde taak: zorgen dat jongeren zo goed mogelijk weer de samenleving in komen. Het zou hen sieren als ze in dat kader meer en beter zouden samenwerken. Daar valt nog heel wat te winnen. Het zou al goed zijn als we een open sfeer weten te scheppen waarin uiteenlopende instellingen over dit onderwerp gaan praten. Waarin ze ervaringen uitwisselen om van elkaar te leren. Je zou kunnen zeggen dat eigenlijk eerst leiding en management van deze organisaties meer op één lijn moeten komen en samen interventies moeten kiezen. Pas daarna kun je echt iets betekenen voor de jongeren die bij je terecht komen. En daarvoor moeten ze diepgaand aan de slag met de waarom-vraag. Waarom doen we dit en waarom zo en wat zijn onze doelen daarmee? Met die vragen moet je als organisatie voortdurend aan de slag. Als je die vragen niet beantwoord hebt, leg je eigenlijk het probleem in de nek van je cliënten. En die hebben al problemen genoeg lijkt me.

 

Motivatie, motivatie

 

Kirsten Vos is gedragswetenschapper in jji De Heuvelrug, locatie Eikenstein. Naast het begeleiden en ondersteunen van de jongeren geeft ze intervisie en supervisie aan collegas die met de methodiek Brains4Use werken. Zelf geef ik de interventie ook. Eldritch is een jongere die zijn verslaving heeft overwonnen. Samen vertellen ze over de methodiek Brains4Use en andere belangrijke aspecten die een rol spelen bij het overwinnen van een verslaving.

Eldritch begint: ‘Kijk, ik ben nu twintig. Vijf jaar geleden was ik echt nog heel iemand anders. Begrijp me goed, ik was jong en keek nog niet zo vooruit. In 2011 en 2012 heb ik Brains4Use gehad. Dat heeft me best wel op een goed spoor gezet, maar de echte ommekeer is gekomen toen ik wat volwassener werd. In 2014 ben ik gestopt met blowen. Met hulp van veel mensen om me heen. Allereerst mijn moeder en mijn vriendin. Maar ook hier. En wat helpt is dat er een beloning op staat. Het motiveert als je bijvoorbeeld verlof in het vooruitzicht hebt.’

Kirsten vult aan: ‘Je bent ook erg te spreken over de cognitieve gedragstherapie – cgt - die je hier hebt gevolgd. Kun je daar ook iets over vertellen?’
Eldritch: ‘Die therapie heeft me goed geholpen om naar mezelf te kijken. Wat gebeurt er met mij als ik onder invloed ben? Hoe denk en doe ik dan? Ik kreeg door hoe ik reageer als ik gebruikt heb. En eerlijk gezegd schaam ik me nu ook wel eens over hoe ik toen was. Ik heb dankzij de cgt inzicht gekregen in mezelf. En dat is serieuze winst.’


Kirsten: ‘Niet iedere jongere heeft dat inzicht. Je moet natuurlijk wel in staat zijn om te reflecteren. Eldritch kan dat. Verder is het heel belangrijk dat je perspectief krijgt, zodat je gemotiveerd ben om je verslaving aan te pakken. Soms willen we dat een jongere als beloning in aanmerking komt voor verlof. Dat is binnen de kaders van Justitie niet altijd makkelijk. Wat Brains4Use doet is zorgen dat de jongere inzicht krijgt in de voor- en nadelen zijn verslaving. Op basis daarvan kunnen ze betere afwegingen maken. Verder is het gekoppeld aan verschillende typen beloningen. Zo kan een week niet blowen je bijvoorbeeld een belkaart opleveren. Ook als je open en eerlijk in je werkboek hebt gezet waarom je wel blowde zou dat reden kunnen zijn om de wekelijkse beloning toe te kennen. Zo’n motivatie is een mooie ingang voor een gesprek. Soms beloon je dat ook.’
Eldritch geeft aan dat een positief groepsklimaat ook een belangrijke rol speelt in het omgaan met je verslaving: ‘Je kunt elkaar motiveren om te stoppen en om dat vol te houden. Samen kun je sterker zijn dan alleen.’


Kirsten legt kort uit wat Brains4Use inhoudt: ‘Het is een programma van ongeveer 3 maanden waarin gemiddeld twaalf gesprekken met de jongere worden gevoerd. Als het om een licht verstandelijk beperkte jongere gaat, duurt het traject wat langer. Samen met de jongere breng je de gebruiksgeschiedenis in kaart. Je kijkt naar de gebeurtenissen en de aanleiding voor het gebruik. In een begeleidend werkboekje houd de jongere een weekstaat bij. de jongere z’n neiging en zijn daadwerkelijke gebruik bij. Brains4Use maakt gebruik van de 5G’s van YOUTURN en van sommige elementen van de cognitieve gedragstherapie. Het is wel essentieel dat de begeleider een eventueel onderliggend groter probleem snel weet te ontdekken. Het gebruik kan zoiets heel goed maskeren.’
Eldritch: ‘Je gaat samen op zoek naar alternatieven. Wat zou je kunnen doen? Je krijgt ook inzicht in je zwakkere punten. Het belangrijkste is dat er tussen de begeleider en de jongere openheid en vertrouwen is. Ze moeten echt een band opbouwen.’
Kirsten: ‘In die zin is het ook een kwestie van aansluiten bij het tempo dat de jongere aankan. Het gaat uiteindelijk om de controle die je als jongere zelf hebt. Het besef dat je gebruik bepalend is voor je toekomst, dat kan een sleutelmoment zijn.’


Eldritch: ‘Toen ik stopte, ben ik meteen ook gestopt met roken. Daar hebben de meeste jongens hier wel respect voor. En dat sterkt mij dan weer. Bovendien heb ik geleerd om sterk in mijn schoenen te staan. Mijn zelfmotivatie is hier aangemoedigd. Daardoor wist ik dat ik een andere lifestyle moest kiezen. Echt, niets anders heeft me zo gemotiveerd als hier. Daarom doe ik ook veel terug. Je kunt mij nu zien als een ervaringsdeskundige en daarom kan ik voor andere jongens ook best wat betekenen. We kunnen er normaal met elkaar over praten. Jongens onder elkaar; dan is er geen verschil.’

 

 

 

Reguleren

Prof dr Dike van de Mheen is expert op het gebied van onderzoek naar alcohol en drugs, verslaving en verslavingszorg. Ze heeft een leerstoel aan Erasmus MC Verslavingsonderzoek en aan de Universiteit van Maastricht Zorg en Preventie van Risicogedrag en Verslaving. Ze is tevens directeur van het IVO, wetenschappelijk bureau voor onderzoek, expertise en advies op het gebied van leefwijzen, verslaving en daaraan gerelateerde maatschappelijke ontwikkelingen.

Het is denk ik belangrijk eerst vast te stellen dat middelengebruik iets anders is dan verslaving. In deze context gaat het allereerst over middelengebruik. Je wilt natuurlijk niet faciliteren dat een verslaving ontstaat in een jji. Een tweede belangrijk aspect is dat er vaak een relatie bestaat tussen het misdrijf en het middelengebruik. Bijvoorbeeld dat je doordat je veel te veel gedronken hebt, agressief bent geworden en de fout inging.  Het beleid gaat eigenlijk altijd over middelengebruik en de behandeling gaat vaak over de verslaving. Is dat beleid ten aanzien van middelengebruik erop gericht om behandeling mogelijk te maken of heeft het primair een beheerdoel? Je moet je wel realiseren dat verslaving een recidiverende chronische ziekte is. Dus terugval hoort erbij. En daar zit het spanningsveld. Enerzijds heb je daarvoor een individuele aanpak nodig waarbij er ook rekening gehouden wordt met terugval; anderzijds heb je te maken met het leefklimaat in de groep en dat vraagt begeleiding van het groepsproces.

 

Psychische aandoening

Verslaving is een psychische aandoening. Het staat niet voor niets in de DSM-5. Eigenlijk ben je er ook nooit vanaf. Die trigger van dat biertje of die joint blijft. Vergelijk het maar met roken. Iemand die gestopt is, zal regelmatig toch dat verlangen voelen opkomen. Het is dus een ziekte en daarom is behandeling nodig. Het doel van het beleid zou dan ook behandeling moeten zijn. Tegelijkertijd zit je met het beheersmatige aspect.

Het is belangrijk dat de professionals in de jjis wel verslavingsaspecten leren herkennen. Daar zouden ze  voor opgeleid moeten worden. Niet om dan meteen verslavingsdeskundige te worden, maar om het vraagstuk goed in context te kunnen zien en te kunnen inschatten. Juist daarom is het ook zo belangrijk dat als het nodig is de juiste professionals erbij worden gehaald. Dus verslavingsdeskundigen als die nodig zijn. Maar dat klinkt eenvoudiger dan het in de praktijk blijkt te zijn. Daar komt nog bij dat het in dit werk nog altijd aankomt op de klik tussen behandelaar en cliënt. En daarom is het essentieel dat de randvoorwaarden goed zijn. Die mogen de behandeling op geen enkele manier in de weg staan.

 

Beleid

Wij hebben onderzoek gedaan in TBS-klinieken. Vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn de regels natuurlijk dat er niet gebruikt mag worden. Iedereen weet dat het wel gebeurt. Vergelijk het maar met ons gedoogbeleid voor softdrugs. Het is illegaal, maar onder bepaalde voorwaarden niet strafbaar. Dan is het essentieel dat instellingen een goed intern beleid hebben op dat gebied. Cannabis bijvoorbeeld kan iemand die last heeft van psychoses rustiger maken. Maar ja, het kan andere zaken in de weg staan. Cocaïne, amfetamine en een aantal andere middelen roepen snel agressie op die moet je dus niet binnen hebben. Dat mag je wat mij betreft ook keihard aanpakken.

Ik kan me voorstellen dat het beleid per jeugdinrichting best wel verschilt. Of de regulering dat kun je beter zeggen. Je zou kunnen kijken welke jongere op basis van hun persoonlijkheidskenmerken, hun historie en het gehanteerde beleid ten aanzien van middelengebruik waar het beste past. Je zag in ons onderzoek in de TBS-klinieken wel grote verschillen in de resocialisatiefase. Waar de een zegt: je gaat toch de maatschappij weer in waar je weer alcohol kunt gebruiken, dus oefen er maar mee; zegt de andere kliniek dat de kunst juist is om in die fase ook nog nee te zeggen. Dat moet je overigens ook per persoon beoordelen, want bij de een kan het absoluut niet en bij de ander wel. Bij jongeren gaat het dan vooral om cannabis en ik zou dan zeggen: zorg dat je een goed beleid op maat hebt.

 

Behandeling

Als iemand echt een verslaving heeft, moet de aanpak daarvan onderdeel van de behandeling zijn. Je kunt nooit zeggen dat een verslaving echt over is. Je kunt het binnen de muren ook niet meten. Sowieso is het meten van de mate waarin iemand zijn verslaving onder controle heeft zo goed als onmogelijk. Een echte verslaving kun je ook niet alleen oplossen; daar heb je echt professionele hulp bij nodig. En je mag iemand die nog onder behandeling is niet zomaar weer de maatschappij in sturen. En als je het dan over jongeren hebt, gaat het over een doelgroep van wie de hersenen nog niet uitontwikkeld zijn. Dat duurt tot je 23ste. Daarvoor ben je nog niet zo goed in staat om op lange termijn te denken en te reflecteren. Hoe snel dat gaat verschilt natuurlijk per persoon.

Voor deze problematische groep is de wereld wel heel ingewikkeld. De informatiestromen zijn zo gigantisch geworden, probeer daar je weg nog maar eens in te vinden. Dat geldt helemaal voor de LVBers. Gelukkig is die groep inmiddels goed in beeld. De meeste behandelingen kunnen we ook goed op deze groep aanpassen. Waarbij het belangrijkste de herkenning is. Ook qua screening zijn er voor deze groep behoorlijke stappen gezet, maar er is nog veel te doen op dit gebied.

Tot slot wil ik het nog even hebben over de grootste verslaving, ook binnen de jjis. Roken. Dat is natuurlijk hét voorbeeld van middelengebruik. En geaccepteerd. Wat mij betreft zou je daar echt ook aandacht aan moeten besteden. Tabak is ernstig verslavend. Roken is het perfecte onderwerp om verslaving aan te kaarten. Er is een jeugdzorginstelling waar roken inmiddels verboden is. Dat ging niet zonder slag of stoot, maar inmiddels blijkt dat er een sterk positief effect van uitgaat. De medewerkers vinden dat vaak nog moeilijker dan de jongeren. Met goed rookbeleid kun je een echt een stap voorwaarts maken als het gaat om het bespreekbaar maken van verslaving.

 

 

Meer deskundigheid

Judith Klaasen is reclasseringswerker met als taakgebied jong-volwassenen en werkbegeleider bij Tactus verslavingszorg. Ze was betrokken bij de pilot voor het Adolescentenstrafrecht en werkt al jaren in de wereld van mensen die vanwege hun middelengebruik over de schreef zijn gegaan. Dus ook met jongeren die in een justitiële jeugdinrichting zijn terechtgekomen.

Er wordt nu gelukkig steeds meer gekeken naar de ontwikkeling van de jongere, dankzij het adolescentenstrafrecht. Als een jongere van begin twintig functioneert op het niveau van iemand van een jaar of 15 is het goed dat die niet in het volwassen strafrecht terechtkomt. Bij jongeren kijken we veel meer naar de relaties en het gezin, het sociale netwerk dus waar komt zon jongere vandaan en wat is invloed van die omgeving.

Ik word veel ingeschakeld in het traject van PIJers. Elke jongere wil graag op verlof. Samen met alle betrokkenen breng ik eerst  alle leefgebieden in kaart en aan de hand daarvan wordt een plan voor een proefverlof gemaakt. Daar zijn in de fase van het maatregelrapport de individueel trajectbegeleideren de gedragswetenschapper bij betrokken. Daarnaast is er overleg met het  NIFP en de betrokkenen van 3RO. Dat overleg heet het PCO en dat is 3RO-breed. Je brengt in kaart wat er op alle leefgebieden moet gebeuren wil zon proefverlof succesvol zijn. Ik praat natuurlijk ook met de jongere. Die wil in eerste instantie graag aan alles meewerken voor het STP (schlings- en trainingsprogramma - md) maar niet altijd aan alle voorwaarden voor de risicobeperking zoals een behandeling. Samen nemen we dan alles door. Uiteindelijk geeft het Ministerie al dan niet akkoord. Als het doorgaat hou ik minimaal wekelijks contact met de jongere. Ik heb dan ook contact met alle partijen die tijdens een proefverlof een rol kunnen spelen, zoals de wijkagent.

Relatie

De relatie met de jongere is cruciaal. Als ik een vertrouwensband met hem kan opbouwen, kan het groeien en dan blijft de communicatie goed. Het heeft ook voordelen dat ik van de verslavingszorg ben. De jongere heeft vaak de indruk dat ik hun probleem, hun gebruik begrijp. Binnen de JJI zijn er al snel strafconsequenties; bij de verslavingsreclassering is dat toch echt afhankelijk van de situatie. Er kunnen best consequenties zijn hoor, maar eerst gaan we in gesprek over de achtergrond van de gebeurtenis.

Een voorbeeld van hoe nauw het soms luistert. Vorig jaar had ik een LVB-jongere uit Flevoland. Die gebruikte veel cannabis, van s ochtends tot s avonds. Ik zat toen met het dilemma of ik het gebruik helemaal moest verbieden of niet. Zon jongen heeft aan de ene kant heel veel duidelijkheid nodig. Aan de andere kant wist ik dat helemaal niet meer gebruiken in zijn geval onmogelijk was; ook door zijn omstandigheden. Wat doe je dan? We hebben uiteindelijk tegen hem gezegd: Gebruik niet. Dus een duidelijk signaal. Tegelijkertijd spraken we met alle betrokkenen af om het per situatie te bekijken. Zijn vraag was meteen ook Mag het dan helemaal niet? En ook daarop was het antwoord nee, maar als behandelaars hadden we al wel besproken hoe we het zouden aanpakken als hij wel zou gebruiken.

JJI's

Het is voor de jjis in mijn ogen heel belangrijk hoe ze zich opstellen als het gaat om gebruik. Als je te maken hebt met een jongere die onder invloed van alcohol een ernstig delict heeft gepleegd, kun je natuurlijk niet zeggen dat hij prima met een potje bier op de bank kan gaan zitten. Hoe normaal dat ook lijkt. Dat kan echt niet. Je moet het dan problematiseren en wel op zon manier dat er ruimte ontstaat voor behandeling. Wij worden vaak gezien als boeman, juist omdat we problematiseren. Dat komt omdat wij deskundig zijn op het gebied van verslaving en dus het gevaar al op de loer zien liggen. Wij weten wat de risicos zijn en wanneer die zich openbaren. Het is essentieel dat het bewustzijn daarover verder groeit bij de professionals in de jjis. Dat is overigens wel aan het veranderen. Ik ervaar nu meer ruimte voor onze expertise en aanpak. Maar wat mij betreft zou de behandeling van verslaving en de aanpak van middelengebruik nog meer vast onderdeel van de behandeling mogen worden.

Vaak zit een jongere al twee jaar binnen voordat wij in beeld komen. Dat is best lang en daar klagen jongeren wel eens over. Jongeren zijn van jongsaf aan gewend om niet of weinig te praten over hun gebruik. Daar ga je het natuurlijk niet met je ouders over hebben. En in de inrichting zullen ze er ook niet snel over beginnen, want het is een gevoelig onderwerp. Als je binnen blowt, kan daar straf op staan. Juist daarom zou het goed zijn als wij in een eerder stadium erbij betrokken worden. Dat geeft ons de mogelijkheid om al eerder aan die vertrouwensband te werken en in beeld te krijgen wat er echt aan de hand is en welke factoren allemaal een rol spelen. Kijk, die jongere heeft ook nog met ons te maken als hij met verlof gaat of in vrijheid wordt gesteld. Wij zijn een belangrijke factor in deze fase van zijn leven.

 

Scholing

Het scholen van personeel in de jjis biedt ook kansen. Als mentor van de jongeren kunnen begeleiders meer betekenen als ze wat meer kennis hebben van middelengebruik. Waarom blowt iemand heel veel? Wat zit daarachter? Is het om een ADHD of PDD-NOS te dempen? Of zit er iets anders achter? Als je meer inzicht in zulke achtergronden krijgt, kun je die kennis delen en dat kan een betere aanpak voor zon jongere opleveren. En je moet ook gewoon erkennen hoe moeilijk het is om je verslaving onder controle te krijgen. Dat besef leeft bij ons deskundigen heel sterk. Het zou goed zijn als meer professionals die met deze jongeren werken zich dat realiseren en daardoor ruimte kunnen bieden binnen hun aanpak.