Facts & Figures

 

Aanpak jonge dader afstemmen op achtergrond probleem

16 februari 2010Jongeren met ernstige gedragsproblemen zijn gebaat bij een intensieve psychiatrische behandeling, terwijl jongeren uit een traumatische gezinssituatie het meest hebben aan gezinsbehandeling. Bij jongeren met een combinatie van problemen is gezinsbehandeling gecombineerd met persoonlijke therapie het beste. Jongeren die hebben meegekregen dat criminaliteit normaal is, zijn het meest gebaat bij stevige sancties, scholing en begeleiding naar werk.De aanpak van jonge veelplegers moet afgestemd zijn op de achtergrond van de problemen. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht in opdracht van het Openbaar Ministerie. De onderzoekers onderscheiden vier categorieën jongeren die stelselmatig misdrijven plegen: jongeren met ernstige gedragsproblemen, jongeren uit een traumatische gezinssituatie, jongeren met zowel gedrags- als gezinsproblemen, en jongeren die van huis uit hebben meegekregen dat criminaliteit normaal is. Wanneer er bij elke jonge dader eerst gekeken wordt in welke categorie hij valt, kan daarbij de effectiefste aanpak gekozen worden.Bron: ANPMeer informatie: Bericht Universiteit Utrecht 

 

Pro Justitia rapportage Jeugd

De rechtbank legt de maatregel PIJ in principe slechts op na het inwinnen van advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Wanneer er bij de jongere ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis dient een van de gedragsdeskundigen een psychiater te zijn. Deze gedragsdeskundige rapportages ‘pro Justitia’, kunnen dan ook een belangrijke rol spelen in het strafrechtelijke traject en kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de betrokken jongeren en hun ouders, evenals voor de maatschappij. Tevens worden deze geacht als uitgangspunt voor de behandeling of begeleiding van de jongere te kunnen dienen, na tenuitvoerlegging van een opgelegde PIJ-maatregel. De adviezen bieden in de eerste plaats de rechtbank een handvat om te beoordelen of een PIJ-maatregel moet worden opgelegd. Indien de rechtbank hiertoe overgaat geeft de rapportage voor de behandelinrichting inzicht in aard en omvang van de problematiek zodat de inrichting snel met de behandeling van start kan gaan’ 

  2004 2005  2006  2007  2008
Verstrekte BooG-adviezen NIFP  -   -  41  581  827 
 Indicatieoverleg Strafrechtelijk Jeugd  862  1223  1343  1491  1266 
 Trajectconsult Strafrechtelijk Jeugd  530  430  398  394  320 
 Begeleiding rapp. Straf Jeugd Enkel  864  895  939   957  930 
 Begeleiding rapp. Straf Jeugd Dubbel   557  580  546  486  391

 (gegevens: Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie)Trajectconsult strafrechtelijk Jeugd: advies van een NIFP-kinder en jeugd psychiater aan de officier c.q. de rechter commissaris over noodzakelijke (penitentiaire) geestelijke gezondheidszorg en de noodzaak en soort PJ rapportage.Bemiddeling Pro Justitia Rapportage: de rechter commissaris of officier van justitie vraagt aan het NIFP om een onderzoeksopdracht te matchen naar een deskundige uit de pool van rapporteurs. Dit kan betrekking op hebben een psychiater of psycholoog (enkel) of een psychiater én een psycholoog (dubbel). Factoren van invloed op de matching zijn divers. De bemiddeling bestaat verder uit het begeleiden van het onderzoek en de collegiale toetsing van het rapport.Indicatieoverleg Strafrechtelijk Jeugd: een overleg tussen NIFP en de Raad voor de Kinderbescherming over de jongere in relatie tot de noodzaak, soort en vorm van onderzoek.Indicatieoverleg Civielrechtelijk Jeugd: een overleg tussen NIFP , kinder- of familierechter, Bureau Jeugdzorg en/of Raad voor de Kinderbescherming.BooG-advies: met behulp van een digitaal hulpmiddel worden aan ketenpartners gestandaardiseerde adviezen gegeven over de wenselijkheid van een rapportage pro justitia.

Aantal opgelegde (onherroepelijke en onvoorwaardelijke) PIJ-maatregelen (2004 – 2008)

Kenmerken en achtergronden PIJ-ers

Het delictverleden van PIJ-ers dient over het geheel genomen zonder meer als ernstig te worden gekwalificeerd. Allereerst valt op dat men gemiddeld al jong begint met het plegen van delicten. Voor niet-gewelddadige criminele feiten is dit gemiddeld al voor het 13e levensjaar (12,8). De overstap naar gewelddadige criminele feiten vindt gemiddeld ruim één jaar later plaats (14,1 jaar). Ten tweede is het aantal gerapporteerde criminele feiten van PIJ-ers hoog. Dit aantal ligt voor niet-gewelddadige criminele feiten op bijna negen (8,8) en voor gewelddadige criminele feiten op precies vijf (5,0)*. Daarbij dient te worden bedacht dat de gemiddelde leeftijd waarop de PIJ-ers de maatregel opgelegd kregen 16,8 jaar bedraagt. De genoemde feiten zijn dus in een relatief korte periode gepleegd. Ten derde is ook de ernst van de gepleegde delicten zorgwekkend. Slechts 7% werd veroordeeld tot de PIJ-maatregel zonder dat daaraan een geweldsdelict voorafging. Bij degenen waarbij sprake was van een geweldsdelict ging het zelden om slechts materiële schade (3%). In veruit de meeste gevallen was sprake van het toebrengen van fysiek letsel (67%, waarvan 2% met dodelijke afloop). Ten slotte valt op dat een kwart van de PIJ-ers (25%) ooit een zedendelict heeft gepleegd en één op de vijf PIJ-ers ooit een brand heeft gesticht.(uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)* Een gepleegd crimineel feit hoeft niet per se te leiden tot een veroordeling. Het aantal veroordelingen ligtgemiddeld dan ook beduidend lager op 6.

Opvoeding en milieu

Uit het onderzoek ‘10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 – 2005’ blijkt dat de PIJ-ers een verre van probleemloze opvoedingsachtergrond hebben. Over het geheel genomen kan worden geconcludeerd dat sprake is van overwegend meervoudige en veelal ernstige gezins- en opvoedingsgerelateerde problemen. Deze problemen zijn overwegend chronisch van karakter en zijn niet terug te brengen tot recente, acute problematiek in het gezin. De volgende resultaten illustreren de ernst en omvang van de problemen. Van de ouders* van de PIJ-ers is een groot deel zelf ooit veroordeeld voor een delict (39%), een deel heeft het kind mishandeld (39%),  erwaarloosd (72%), is niet voldoende beschikbaar geweest voor het kind (73%) en/of niet in staat geweest tot grenzen stellen en structuur bieden (90%). Ook zien we bij de ouders verslavingsproblemen (30%) en  psychiatrische problemen (27%) en is een deel van hen direct verantwoordelijk geweest voor een uithuisplaatsing van hun kind (19%). Kijken we vervolgens naar de jongeren dan zien we dat bij de meeste PIJ-ers (55%)al sprake was van ernstig probleemgedrag voor het 12e levensjaar. Bijna de helft (47%) werd dan ook ooit door eigen probleemgedrag uithuis geplaatst. Ook is vaak sprake van een slechte binding met school (76%) en  leerproblemen (50%).(uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)* Met de term ‘ouders’ worden ook alle andere opvoeders aangeduid.

Delict-situationele aspecten

Met delict-situationele aspecten wordt gedoeld op factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de delictsituatie: bekendheid met het slachtoffer, pedoseksuele wensen, medicatiegebruik of medicatiestop en middelengebruik ten tijde van het delict. De belangrijkste bevinding is dat ruim één op de drie PIJ-ers onder invloed was van alcohol en/of drugs ten tijde van het meest recente delict waarvoor de PIJ-maatregel opgelegd werd. De invloed van drugs kon vaker worden vastgesteld dan van alcohol (resp. 28% vs. 11%).  Verder blijkt dat van de zedendelinquenten (25% van alle PIJ-ers heeft een zedendelict gepleegd) één op de vijf buitenshuis een zoektocht heeft gepleegd om een slachtoffer voor een zedendelict te vinden. In de overige gevallen gaat het om een bekende van de dader. (uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)

Psychologie en functies

Een volgend belangrijk aandachtsgebied voor diagnostiek en behandeling van PIJ-ers omvat kenmerken zoals impulscontrole, gewetensfunctie, empathie, probleembesef en intelligentie. De problematiek van PIJ-ers op deze kenmerken is overweldigend groot. Vrijwel alle PIJ-ers hebben problemen met emotionele binding, meevoelen en spijtbetuigen (98%), hebben problemen met de gewetensfunctie (99%), zijn licht beïnvloedbaar (90%), hebben problemen met het beheersen van agressieve impulsen (89%) en/of een gebrekkig inzicht in de eigen problemen(97%). Deze gebrekkig ontwikkelde functies houden deels mogelijk verband met het gegeven dat veel PIJ-ers een laag niveau van intellectueel functioneren vertonen (gemiddeld IQ-score = 89,5). Met enige voorzichtigheid* kan worden geconcludeerd dat bijna één op de vier (39%) zwakbegaafd is (28%) dan wel een lichte verstandelijke beperking heeft (11%).(uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)* Het nauwkeurig stellen van deze diagnose vereist extra gegevens over het niveau van sociale redzaamheid vande jongere.

Psychiatrie en stoornissen

Als er sprake is van psychiatrische problematiek gaat het daarbij om onder meer depressie, angst, autisme, verslaving en het vertonen van psychotische symptomen. Het is niet eenvoudig een beeld te schetsen van de omvang van psychiatrische problematiek onder PIJ-jongeren. Het blijkt namelijk dat de omvang (prevalentie)van psychiatrische problematiek sterk verschilt afhankelijk van de gehanteerde definitie van psychiatrische problematiek.  Psychiatrische problematiek in enge zin geeft lagere percentages dan psychiatrische problematiek in meer ruime zin. De omvang van psychiatrische problematiek in de meest enge zin (uitsluitend As 1-problematiek: stoornissen zoals angst, depressie, autisme en ADHD) geeft een prevalentie van 30%. Na inclusie van het gepleegd hebben van een zedendelict stijgt dit percentage tot 40%. Wordt vervolgens het hebben van een verstandelijke beperking (IQ-score < 70) geïncludeerd dan stijgt het percentage tot 44%. Wordt ook het hebben van verslavingsproblemen (alcohol, drugs en gokken) meegenomen dan neemt het percentage verder toe tot 62% van de gehele onderzoeksgroep.Ten slotte stijgt het percentage psychiatrische problematiek tot maar liefst 100% wanneer de meest ruime definitie wordt gehanteerd waarin ook nog as-2 problematiek is geïncludeerd, te weten een ontwikkeling richting persoonlijkheidsstoornis type B (cluster antisociaal). Voor wat betreft dit laatste aspect zij opgemerkt dat maar liefst 88% ten minste narcistische trekken of een antisociale stoornis vertoont. Het zij nog eens benadrukt dat alle bovenstaande cijfers uitsluitend zijn gebaseerd op in rapportages aangegeven officiële diagnoses en niet op waargenomen symptomen behorend tot een bepaalde stoornis. Geconcludeerd kan worden dat PIJ-ers over het geheel genomen in hoge mate psychiatrische problematiek vertonen. De precieze omvang van de problematiek is sterk afhankelijk van het scala aan stoornissen dat in de definitie wordt geïncludeerd. (uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)

Sociaal / relationeel

Ook op sociaal en relationeel terrein blijkt bij PIJ-ers sprake van omvangrijke en ernstige problemen. De meeste PIJ-ers (93%) beschikken, met uitsluiting van criminele vrienden, slechts over een beperkt of zelfs geheel geen sociaal netwerk. Met andere woorden, slechts één op de veertien PIJ-ers beschikt over een goed sociaal netwerk. Ook emotionele ondersteuning door naasten, zoals de ouders, is bij de meerderheid (56%) gering of afwezig. Het secundaire netwerk van PIJ-ers, bijvoorbeeld via verenigingsleven en sport, is eveneens bij veruit de meesten (93%) beperkt of afwezig. Aan sociale en relationele vaardigheden ontbreekt het de PIJ-ers vaak. Zo kan ongeveer tweederde (68%) zich moeilijk binden aan anderen en zijnvelen (62%) niet vaardig in de omgang met anderen. Ten slotte heeft iets minder dan de helft van de PIJ-ers (46%) negatieve opvattingen over zijn omgeving: mensen in de omgeving worden steeds als negatief beschouwd.(uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)

Gedrag tijdens verblijf JJI

Het laatste aandachtsgebied in het geheel van kenmerken en achtergronden van PIJ-ers vormt hun gedrag tijdens de eerste acht maanden van het verblijf in de inrichting. Uit het onderzoek blijkt dat de groepsleiders en behandelaars een groot aantal problemen constateren in het gedrag van de jongeren op de afdeling. Zo ontbreekt het de meeste jongeren (83%) aan vaardigheden om adequaat te reageren in probleemsituaties, zoals het uitpraten van problemen. Ruim de helft (56%) reageert in zulke situaties dan ook met vermijdend gedrag, en een nog grotere groep (77%) heeft de neiging te reageren met verbale of fysieke agressie. Het vertrouwen van PIJ-ers in de leiding en de behandelaars laat ook te wensen over. Bijna driekwart (74%) heeft onvoldoende vertrouwen en bijna één op de vijf (18%) is zelfs wantrouwend en daarom niet bereid over bijvoorbeeld het delict te praten. Voor wat betreft het voorkomen van incidenten blijkt uit het onderzoek dat ruim een derde van de jongeren (37%) ten minste één keer fysiek agressief is geweest en één op de zes (16%) meerdere keren. Meer dan de helft van dejongeren (56%) heeft voorts een gebrek aan motivatie voor de behandeling. Redelijk positief scoren de jongeren op redzaamheid - het vermogen voor jezelf te zorgen of een zelfstandig leven te leiden. Ruim tweederde (68%) heeft daarmee geen noemenswaardige problemen. Voor wat betreft de gerichtheid op school blijkt dat bijna de helft (45%) geen problemen heeft en zich actief inzet. Een ongeveer even grote groep jongeren (48%) is weliswaar redelijk gemotiveerd, maar heeft weinig doorzettingsvermogen als het tegenzit. Ten slotte blijkt dat van alle PIJ-ersongeveer een derde (34%) ooit betrokken is geweest bij een onttrekking (19%) of een ontvluchting (15%).(uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008)

Etnische herkomst

Vier van de tien PIJ-ers heeft een Nederlandse achtergrond (41%). Van de grote groep van niet-Nederlandse komaf, blijkt slechts een kleine groep westers allochtoon (3%); de meerderheid behoort tot de niet-westerse allochtonen (56%). Van deze groep hebben de meesten een Marokkaanse (15%), Surinaamse (12%), Antilliaanse (8%) of Turkse achtergrond (8%). In vergelijking met landelijke cijfers (RIVM, 2008) is het aantal allochtonen in de onderzoeksgroep beduidend groter. Zo is van alle Nederlanders in totaal 81% autochtoon en 19% allochtoon. Van de allochtonen is 10% van niet-westerse herkomst. Voor de onderzoeksgroep ligt dit percentage met 56% veel hoger.Verdeling van de onderzoeksgroep naar etnische herkomst (1996 – 2005) 

Etnische herkomst Aantal

Nederland 465 41 
Overig westers 38
Marokko  172 15 
Turkije 59
Suriname 142 12 
Antillen 90
Overig niet-westers 181 16
Totaal 1147 100 

  (uit ’10 jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen 1996 - 2005’: Dr. E.F.J.M. Brand & Dr. A.A. van den Hurk - december 2008) 

Deze website is gemaakt door Tjep's digital agency