Nieuwe inzichten
Sander Fauth deed de ALO, want hij wilde gymleraar of profvoetballer worden. Tijdens zijn studie was zijn interesse al gewekt voor het werken met jongeren in een instelling. Hij besloot op basis van zijn stage-ervaringen de opleiding tot psychomotorisch therapeut te volgen. In die rol is hij inmiddels al jaren actief. Hij werkt met de jongeren op de observatieafdeling, zowel in groepsverband als individueel als met het systeem van de jongeren. Van de activiteiten die hij met hen – en soms ook met de gezinsleden – doet, valt veel af te leiden, zo blijkt uit zijn verhaal.
Stage
‘Via mijn stage op de ALO kwam ik in het speciaal onderwijs terecht. Zo belandde ik in Huize Ursula waar verstandelijk beperkte jongeren verblijven. Werken met hen deed een beroep op mijn creativiteit. Daar werd ook mijn interesse gewekt voor de psychomotorische therapie. Hoe kun je jongeren door middel van bewegen helpen om te werken aan hun problematiek? Dat vond ik machtig interessant. Dus zo ben ik via de voortgezette opleiding psychomotorische therapie – een tweejarige post-hbo-opleiding - uiteindelijk als vaktherapeut op de observatieafdeling aan de slag gegaan. Je certificering als psychomotorisch therapeut moet je overigens elke vijf jaar verlengen; dat is de garantie dat je op de hoogte blijft van de ontwikkelingen in je vak.’
Licht verstandelijk beperkt
‘Ik ben hier al een tijd actief geweest, toen Loek Dijkman mij benaderde om aan de slag te gaan met de groep licht verstandelijk beperkte jongeren die hier toen was gehuisvest. Dat heb ik een jaar gedaan en toen die groep jongeren naar een andere inrichting ging, kreeg ik de vraag of ik een opzet kon maken voor een bijdrage vanuit de psycho-motorische kant aan de persoonlijkheidonderzoeken die hier toen werden gedaan. Dat heb ik een tijdlang gedaan, maar mijn hart ging toen toch meer uit naar het behandelen, niet in eerste instantie naar het observeren. Ook was de afstemming toen nog niet zo goed geregeld als nu. Dus ik ben gestopt en heb mijn freelance-praktijk opgestart. Tot ik ruim twee jaar geleden via een interview op de radio Loek Dijkman hoorde vertellen over de start van de observatieafdeling. Toen heb ik contact gezocht en daar heb ik nog geen dag spijt van gehad. Het is echt boeiend om hier met mijn vak bezig te zijn.’
Afwisseling
‘Mijn dagen zijn nooit hetzelfde. Soms zie ik twee jongens op een dag, elk een uur. Of ik heb een hele groep. Ik beschrijf na afloop wat ik heb gezien en ervaren. Ik heb rapportagedagen. Ik ben bij alle onderzoeken betrokken, dus heb ook met iedereen te maken. Veel lezen, veel schrijven. Woensdag is altijd groepsgerichte vaktherapie. Vroeger was dat afgewisseld met vaktherapie muziek en beeldend, maar daar is nu geen ruimte meer voor omdat we nog maar één groep hebben.
Ik werk voor de groep met een zevenweeks programma. Daar zitten bijvoorbeeld battles in, zodat ik een beeld krijg van hun incasseringsvermogen, hun intitiatief, hun assertiviteit, dat soort zaken. Ander thema is vertrouwen en veiligheid. Daar heb je prachtige oefeningen voor. Het mooie is ook dat ik datgene wat ik zie in de groep, later ook weer kan gebruiken bij de individuele sessies. Sommige jongens hebben bijvoorbeeld wel vertrouwen in mij, maar voelen zich in de groep helemaal niet veilig. Sommige lessen zijn ook structuurloos. Dan doe ik helemaal niets, ga even weg en kijk ik wat er gebeurt. Ik luister dan wel naar wat er zich in de groep afspeelt en grijp in of stuur bij als het nodig. Je krijgt zo een goed beeld van de groepsdynamiek.’
Observatievragen
‘Voor elke jongere worden multidisciplinair observatievragen opgesteld waarop ik een antwoord probeer te vinden. Er is natuurlijk veel afwisseling, omdat er elke week jongeren in- en uitstromen. Soms levert dat wel wat extra spanning op. Zeker als je jongens hebt met psychiatrische problemen. Zonodig vraag ik een groepsleider of hij of zij meekomt. Soms moet je ook wat investeren in de relatie met de jongeren. Sommigen willen alleen onder voorwaarden meedoen. Het is vaak echt een kwestie van spelen met de kennis die je hebt. In overleg kan je bijvoorbeeld de jongere juist meer laten bepalen, zoals het tijdstip waarop ze met mij willen werken. Soms levert dat juist een opening, dus meer inzicht op.’
Rapportage
‘In de eerste planbespreking krijgen we te horen waarvan de jongere wordt verdacht, wat zijn geschiedenis is, wat voor mens hij is. Op basis van die informatie gaan we hypotheses ontwikkelen. Die hypotheses zijn ons startpunt. Aan de hand daarvan krijgen we voor iedere discipline observatievragen. Die probeer je dan te beantwoorden. Groepsdelict, leider volgers – daar kan ik prima lessen en activiteiten op ontwikkelen. Dat maakt het ook interessant; het doet direct een beroep op mijn kennis en creativiteit. Vanuit de deelgebieden Emotie, cognitie, interactie en zelfbeeld hebben we allerlei vragen ontwikkeld en daarmee gaan we werken tijdens de sessies. Het is wel belangrijk dat je creatief bent in het ontwikkelen, want de jongens vertellen elkaar natuurlijk ook erover.
Je komt ook veel aangepast gedrag tegen. Dat kun je ook rapporteren. Dan heb je dus een jongen die heel goed nadenkt over wat hij wil laten zien. Is dat wantrouwen, of juist een kwestie van veel zelfvertrouwen? Een zwak zelfbeeld of de behoefte om de boel te willen bepalen?’
Gezin
‘We kijken ook heel specifiek naar het systeem. Er wordt een milieonderzoek gedaan: de thuissituatie, de schoolcarrière, stage-ervaringen. Als er enigszins kans is om het gezin erbij te betrekken, dan doen we dat. De psychiater en psycholoog gaan praten met het gezin over de achtergronden en over de betekenis die zij kunnen hebben voor de toekomst. Parallel daaraan doen we sessies bij de vaktherapie. Lessen in systeemverband dus. Ouders, broers en zusjes zitten dan in de grote zaal. Ik weet dan van te voren waar we naar willen kijken. Bijvoorbeeld of de ouders nog opvoeders kunnen zijn. Daar worden in overleg met het onderzoeksteam activiteiten op ingericht die ons een indicatie geven of ze dat inderdaad zouden kunnen. Je kunt dat zien als aanvullend onderzoek; er wordt natuurlijk ook gepraat. Ik wil ook weten hoe iedereen het beleefd heeft. Dat geeft weer extra inzicht, in de gezinsleden en hun interactie. De psycholoog en psychiater kijken overigens mee. Die zien vaak weer andere zaken dan ik.’
Bevestigen of ontkrachten
‘Die systeemobservaties vertellen soms een tegenovergesteld verhaal dan je in de verslagen ziet. Bijvoorbeeld dat op papier staat dat de moeder zwak is en wij zien in de sessies een best wel sterke moeder. Dat gebeurt. Dus we krijgen soms echt nieuwe inzichten.’