Consistentie in het proces
Loek Dijkman is directeur behandeling van Forensisch Centrum Teylingereind en een van de initiatiefnemers van observatieafdeling De Ven in de inrichting. Hij is tevens lid van de High Level Kennisgroep van ForCA. Loek licht in het interview de verbeterplannen van de observatieafdeling toe en vertelt over de systeemobservatie die wordt ingezet.
Procesevaluatie
‘De belangrijkste conclusie van de procesevaluatie was dat de Universiteit van Utrecht het proces had geëvalueerd alsof het een interventie was. De theoretische onderbouwing was dus een probleem. Daarnaast deden we een aantal zaken nog niet op de manier waarop we het op papier hadden beschreven. Logisch, want we waren nog maar kort bezig. Iedereen was het er eigenlijk wel over eens dat de procesevaluatie veel te vroeg kwam. Ondertussen waren we zelf al bezig met allerlei verbeteracties. Merendeels hadden we die zelf in kaart gebracht en een aantal hebben we nog in gang gezet naar aanleiding van de procesevaluatie. Het is de bedoeling dat er eind 2012 een nieuwe procesevaluatie komt.’
Consequenties
‘We zijn niet afgerekend op de procesevaluatie. Omdat iedereen wel inzag dat die wel erg vroeg was, maar toch zeker zijn waarde had, hebben we daar goed mee kunnen werken. We hebben de reactie op de procesevaluatie ook met DJI kunnen voorbereiden. Die is dan ook goed geland op het departement. Er was in korte tijd veel veranderd op de observatieafdeling. Door de afname van de instroom van jongeren is al na een jaar een groep gesloten, zodat er nu nog maar één groep is. Je ziet in onze sector dat de behandelrijpe jongeren naar de jeugdzorg Plus gaan en de vastgelopen en de hele ernstige gevallen komen in de jji’s terecht. Hetzelfde geldt voor de echte PIJ-gevallen.’
Verbeterplannen
‘We zijn eerst het hele proces opnieuw gaan bekijken. Dat zat goed in elkaar. We zijn verder gaan uitwerken hoe we bijvoorbeeld omgaan met de weigeraars. Daar is nu door een werkgroep een heel protocol met afspraken voor geschreven. Hetzelfde geldt voor de observatie van mede-verdachten. Jongens die als groep een delict hebben gepleegd. Het is heel interessant om te kijken wat de kwaliteiten – in positieve en negatieve zin – van zo’n groep zijn, de invloed over en weer. Verder verdiepen we ons in de diverse culturen en wat daarmee samenhangt. Hoe geven we dat een plek in de methodiek en hoe kunnen we dat optimaal uitvragen in de diagnostiek. De basisinstrumenten; wat gaat de psycholoog in ieder geval doen en welke instrumenten zet de psychiater in. Wat doen we voor de lvb’ers? Aanvullend neuro-psychologisch onderzoek, MRI-scan, zulke zaken. We hebben ook een keer een meisje gehad. Die mag hier niet geplaatst worden, dus dan gaat er een team naar die inrichting. Verder zijn we bezig met het opzetten van een goed databasesysteem. Wat gaan we daarmee doen en wat is dan de verbinding met de werkgroep Wetenschap van ForCA? Tot slot kijken we ook naar de bij- en nascholing van de medewerkers van de observatieafdeling. Daar valt ook de certificering van bepaalde medewerkers onder.’
Enorm pakket
‘Je hebt jaren nodig om dit goed op te zetten en uit te werken. We willen een goede consistentie van de rapportage; in het begin wisselde dat nog wel eens. Wat ik persoonlijk jammer vind is dat er vanuit de leden van ForCA in het begin zo weinig medewerkers werden geleverd. Terwijl er voor iedere medewerker hier een schat aan kennis en ervaring is op te doen. Alleen al de training en opleiding is uniek. De observatieafdeling is per saldo toch een heel nieuw onderdeel binnen de sector JJI. We zijn in het begin ook bij het Pieter Baancentrum gaan kijken. Maar het proces is hier toch anders, omdat we voor een belangrijk deel werken met groepsobservatie.
Het staat inmiddels wel. Het observatie- en rapportageproces hebben we goed in de vingers. Wat mij goed doet is dat het OM en de Rechters-Commissaris tevreden zijn over de kwaliteit van de rapportage. Het grote knelpunt is nog steeds het tekort aan kinder- en jeugdpsychiaters. Dat blijft wringen.’
Tien weken
‘De observatieperiode duurt weliswaar zeven weken, maar om het hele rapportageproces goed af te ronden, nemen we tien weken als uitgangspunt. Naast onze vaste mensen, huren we ook geregeld psychologen en vooral K/J-psychiaters in. Het zou voor ons mooi zijn als we hier nog een kinder-/jeugdpsychiater voor één à twee dagen per week zouden hebben.’
Psychiatrische zorg
‘Zorg en diagnostiek moet je scheiden. Je hebt voor beide een psychiater nodig. Soms werk je op de observatieafdeling in een lastig spanningsveld. Stel je hebt een jongere met ADHD. Dan wil de zorgverlener graag dat hij zo snel mogelijk begint met medicatie, terwijl degenen die zich met de observatie bezighouden daar misschien nog wel even mee willen wachten. Wat het extra lastig maakt is dat beide psychiaters niet alle informatie over de jongere of patiënt met elkaar mogen uitwisselen. Wat een jongere je in het kader van de medische zorg vertelt, is niet bedoeld voor de observatie en andersom. Daar zit de groepsleiding dan soms wat lastig in. Wie mag wat weten? De beweegredenen vanuit observatie kunnen heel anders zijn dan bijvoorbeeld vanuit het beheersen van de groepsdynamiek. Je ziet het trouwens ook terugkomen in mijn rol: ik ben enerzijds verantwoordelijk voor de kwaliteit van de observatie en anderzijds voor de kwaliteit van de zorg voor de jongere.’
Exploreren
‘Het is uitermate boeiend om dit op te zetten en uit te werken; om te zorgen dat er organisatorische en methodisch een uitstekend traject staat. Een extra complicerende factor is dat ook de school in Teylingereind betrokken wordt in het proces. De jongeren op de observatieafdeling gaan iedere dag naar school. De docenten daar hebben ook een rol in het observeren, dus die moet je trainen in zowel het observeren als het rapporteren. Van het handboek observatie is nu de tweede versie in de maak. In de procesevaluatie werd genoemd dat de observatie niet voldoende gestuurd was. Dat kan ook niet, want de aanpak hier is anders, we ondernemen geen dingen met de jongere om die gericht te observeren, het is observatie door de dag heen.’
Systeem
‘We vinden het belangrijk om een beeld te krijgen van de krachten en de zwaktes van het systeem waarvan de jongere deel uitmaakt. Wij willen ouders dus graag betrekken bij de observatieperiode. Als we de kans krijgen om ze als gezin te laten opereren hier, geeft dat veel extra inzicht in de dynamiek in het gezin. Dat kan bijdragen aan de beoordeling van de psychiater en psycholoog en op basis daarvan kunnen verschillende keuzes gemaakt worden. Denk bijvoorbeeld aan ambulante behandeling van het gezin. Ons strafrecht is sterk dadergericht, terwijl je in sommige landen ziet dat het systeem veel meer wordt aangesproken op wat er gebeurd is. Ook het systeem wordt daar ingezet om een jongere weer in het goede spoor te krijgen. Dus de mensen om zo’n jongere heen worden mede-verantwoordelijk gemaakt voor zijn herstel.
Eigenlijk is het vreemd dat we dat hier niet meer doen. Je ziet wel een beweging ontstaan die meer in die richting gaat, bijvoorbeeld met interventies als MDFT. Wij richten ons daar dus ook meer op. Althans, we willen een basis creëren waarop anderen kunnen voortborduren.’
Gezamenlijk
‘Ik zou wel willen dat de psychiater van Den Hey-Acker bijvoorbeeld hier zo nu en dan onderzoek zou doen. En ook die van Amsterbaken en van Het Poortje en de andere inrichtingen. Dat lukt tot nu toe eigenlijk alleen nog maar met de psychiaters in de regio, bijvoorbeeld van De Hartelborgt en vooral Curium-LUMC. Het doel van ForCA is immers dat we kennis delen en daar met z’n allen wijzer van worden. De rapporten die we hier maken gaan zo nu en dan naar een collega-instelling of de ggz. Met meer betrokkenheid over en weer, kunnen we meer van elkaar leren. Ik begrijp best dat het ingewikkeld is, maar belangrijk is het wel. Daar zouden we als samenwerkingsverband naar moeten zoeken; hoe we toch voor elkaar krijgen dat we daar allemaal wijzer van worden. Met de PIJ-jongeren is het wel zo dat de behandelende inrichting hier bij de bespreking is en de rapportage leest. Maar dat zijn dus enkele casussen. Je zou wensen dat alle partners wat meer tijd en aandacht zouden besteden aan de overstijgende waarde van de observatieafdeling.’