‘Het gaat om snelle herkenning van een mogelijke verstandelijke beperking’
Janne Zengerink is beleidsmedewerker bij Reclassering Nederland (RN). Zij heeft onder meer het thema LVB (licht verstandelijk beperkten) in haar portefeuille. Binnen RN is groeiende aandacht voor deze groep.
Samen met Onderzoeksbureau Montfoort hebben jullie een onderzoek gedaan naar de groep licht verstandelijk beperkten onder jullie cliënten. Wat was de aanleiding en wat wil RN met de uitkomst ervan?
‘Onze medewerkers ervaren problemen in de omgang met LVB’ers. Vaak wordt een licht verstandelijke beperking pas in een later stadium van contact met de cliënt opgemerkt. Dan kan door veelvuldig doorvragen en verdieping in de probleemgebieden, zo’n beperking aan het licht komen. Schattingen uit een onderzoek van DJI (Dienst Justitiële Inrichtingen) gaven aan dat zo’n 30 tot 50% van de populatie van de DJI-instellingen mogelijk cliënten met een licht verstandelijke beperking waren. Soms is bij onze cliënten, uit eerdere behandelingen met instellingen, al
diagnostiek afgenomen en een licht verstandelijke beperking geconstateerd. Op exacte aantallen hebben wij echter geen zicht; het merendeel van de groep lijkt onzichtbaar. Die getallen zijn echter geen hoofdzaak voor RN. Belangrijker voor ons werk is hoe wij mensen met een verstandelijke beperking beter kunnen signaleren en begeleiden. We zijn van mening dat deze groep binnen RN aandacht behoeft.’
Welke vragen wilden jullie beantwoord zien?
We wilden in kaart brengen welke problemen onze medewerkers in hun werkzaamheden met deze groep tegenkomen, daarnaast wilden we weten wat de kenmerken zijn van iemand met een licht verstandelijke beperking binnen een justitieel kader. Welke impact heeft een licht verstandelijke beperking van een cliënt op ons werk?
Hoe verloopt de screening van iemand in de beginfase momenteel?
'In de adviesfase hebben we een bepaald tijdsbestek om aan de hand van een risico analyse van de cliënt een advies op te stellen. We kennen drie toezichtniveaus. Risicofactoren en de ernst van het delict bepalen het niveau en de daarbijbehorende contactfrequentie. Bij het eerste niveau is de contactfrequentie laag. Bij niveau twee wordt dat hoger. Een enkelband of elektronisch toezicht valt daar onder meer onder. Bij niveau drie kunnen we nog meer maatregelen toepassen en is er sprake van nog meer contact. Momenteel is een verstandelijke beperking niet meegenomen in die indicatie voor het toezichtsniveau. Je kunt je afvragen of een verstandelijke beperking een
indicatie is om iemand in niveau drie te zetten. Een hogere contactfrequentie is belangrijk voor deze groep, omdat lvb'ers vaak meer behoefte hebben aan structuur en regelmaat om gedragsveranderingen te kunnen realiseren. In geval van een licht verstandelijke beperking willen wij iemand zo goed mogelijk ondersteunen bij het succesvol uitvoeren van een werkstraf of het voltooien van zijn toezicht. Daarom is zeker in die adviesfase, snelle signalering zo belangrijk. Om op die manier een passende en uitvoerbare straf te kunnen adviseren'.
Waaruit blijkt dat deze doelgroep zo onzichtbaar is?
‘Sommige medewerkers gaven aan: wij hebben geen lvb'ers binnen onze cliëntengroep. Pas nadat wij hen informeerden over kenmerken van een licht verstandelijke beperking kwamen er tekenen van herkenning. Begeleiders zagen wel degelijk een aantal kenmerken terug bij cliënten. Een verstandelijke beperking is vaak onzichtbaar omdat cliënten in staat zijn hun onvermogen goed te verhullen. Gedraagt iemand zich bijvoorbeeld heel 'streetwise' dan komt het voor dat pas na een aantal gesprekken zichtbaar wordt dat er meer aan de hand is. De adviesfase biedt niet heel veel tijd voor signalering. In de risico-analyse is wel de vraag opgenomen of het vermoeden bestaat van een licht verstandelijke beperking. Daarin kunnen medewerkers een vragenlijst van De Borg gebruiken Het gaat dan om een aantal vragen die bijdragen aan snellere herkenning van lvb’ers. Medewerkers kunnen zich echter wel oncomfortabel voelen bij het stellen van sommige vragen. Bijvoorbeeld bij de vraag om een rekensommetje te maken Je kunt wellicht ook bepaalde informatie inwinnen via gesprekstechnieken, waardoor deze 'lastige' vragen meer verweven zijn in het gesprek met de betreffende cliënt.’
Kun je iets vertellen over aanbevelingen die zijn gedaan na het onderzoek? Wordt de uitkomst omgezet in veranderingen ten aanzien van het beleid van Reclassering Nederland?
Het advies van Bureau Van Montfoort was om onze diagnostiek onder de loep te nemen en om te investeren in deskundigheidsbevordering in het signaleren en begeleiden van lvb’ers in het algemeen. Naar aanleiding van het onderzoek willen wij een pilot opstarten waarin wij in drie regio's 24 medewerkers opleiden. Mensen uit verschillende disciplines:: advies, toezicht en werkstraf worden opgeleid in het herkennen en begeleiden van een verstandelijke beperking. RN wil ook het traject van diagnostiek versnellen. Onder diagnostiek vallen de afname van een IQ- test en een zelfredzaamheidstest. De belangrijkste vraag die we uit de pilot beantwoord willen krijgen is of medewerkers met de tijd en de middelen die ze nu ter beschikking hebben, uit de voeten kunnen om deze groep de juiste aanpak te geven in het contact met ons. Als dat niet het geval is, willen we helder krijgen wat knelpunten zijn.
Hoe kijken jullie tegen samenwerking aan met bijvoorbeeld Expertisecentrum De Borg of andere organisaties als het gaat om de doelgroep met een verstandelijke beperking?
‘Wij zitten meer aan de dwang-kant. Wij werken aan gedragsverandering in een gedwongen kader. Acties op het gebied van nazorg zal vooral doorverwijzing zijn naar de daarvoor geschikte en bevoegde instanties. We halen wel kennis uit samenwerking met deze instanties. We kijken hoe we deskundigheidsbevordering kunnen laten plaatsvinden. Op kleine schaal, via deze pilot bijvoorbeeld. Uiteindelijk is ons doel die kennis ingebed te krijgen in onze organisatie. Om medewerkers te trainen in het herkennen en het begeleiden van deze cliënten. Om recidive te
voorkomen bij deze groep is de zorg na het contact met RN van belang. Wat samenwerking betreft zijn wij onderdeel van een lange keten. Voor mensen die met Justitie in aanraking komen en bovendien een verstandelijke beperking hebben, moet je dus vaak een vorm van nazorg regelen. Onze contacten met instanties en organisaties die wel ervaring met deze groep hebben, is om die reden essentieel. Zo onderhouden wij contact met de jeugdreclasseringsafdeling van de Willem Schrikker Groep. We letten goed op de overdracht tussen 18 min en 18 plus. Op 18-jarige leeftijd valt iemand per definitie onder RN, maar een licht verstandelijke beperking kan een indicatie zijn om een cliënt nog bij een jeugdinstelling te houden. Ook vinden we het belangrijk om naar het regionale aanbod te kijken bij het inzetten van ons netwerk. Niet alles heeft namelijk een landelijke dekking. Wij stimuleren samenwerkingsinitiatieven en het landelijk kantoor kan mogelijkheden bieden om te faciliteren. RN onderzoekt nog wat de impact van deze groep is op ons werk en welke rol wij in de keten kunnen vervullen voor deze cliënten. Een goed netwerk kan veel verschil maken voor deze groep. Het belang van het onderwerp is boven komen drijven, zeker bij onze organisatie. Ook het ministerie houdt zich ermee bezig. En wie weet wat deze
nieuwsbrief oplevert als we het hebben over samenwerking?’