Interview met Pauline Vahl

Gestandaardiseerde screening en diagnostiek in JJI’s

 

Pauline Vahl is opgeleid als arts. Ze was na haar opleiding een jaar zaalarts kindergeneeskunde om praktijkervaring op te doen. Haar interesse voor forensische kinder- en jeugdpsychiatrie was eerder al gewekt, onder meer door de inspirerende colleges van Prof dr Theo Doreleijers. Samen met Robert Vermeiren schreef ze een stuk over oa de wetenschappelijke stage die ze in Suriname deed. Ze voerde daar, met een aantal anderen bevolkingsonderzoek uit naar psychosociale problemen onder kinderen. Op dit moment doet ze promotie-onderzoek bij Curium-LUMC. Dit onderzoek gebeurt samen met JJI’s Teylingereind, LSG-Rentray Lelystad en het VU medisch centrum. In 2012 start ze met de opleiding tot kinder- en jeugdpsychiater.

 

Gedetineerde jongeren

‘Deze groep jongeren is vaak onderbelicht en benadeeld. Ik heb de hoop dat als je deze jongeren de hulp en behandeling geeft die ze nodig hebben, je hun toekomst ook wat beter kunt maken. Plaatsing in een JJI is vaak hun eerste kans op contact met de GGZ, zeker voor allochtone groep. Dat is belangrijk. Dan kun je kijken naar wat er echt aan de hand is, ze een behandeling geven en kijken of het beter kan worden in de toekomst. Toen de directeuren van Teylingereind en LSG Rentray van plan waren om gestandaardiseerde screening en diagnostiek te gaan ontwikkelen, zochten ze iemand die dat wilde opzetten in de inrichtingen en die het onderzoek wilde uitvoeren. Ze hebben mij toen gevraagd. Een prachtkans om met de doelgroep bezig te zijn.’

 

Psychische problemen

‘In de jaren voordat ik betrokken was,  werd er steeds meer bekend over de hoeveelheid psychische problemen bij jongeren in JJI’s. Negentig procent van de jongeren in behandelinrichtingen voldeed aan een van de criteria voor minimaal één psychiatrische stoornis. De vraag was wat we daarmee gingen doen, er zijn namelijk nauwelijks kinder en jeugdpsychiaters die met deze doelgroep aan de slag kunnen. Gedragswetenschappers hebben veel taken, en daardoor slechts beperkt de mogelijkheid om alle jongeren uitgebreid te spreken.Toen is het plan ontstaan, onder meer op initiatief van Loek Dijkman en Henny Lodewijks, om naar gestandaardiseerde screening en diagnostiek te werken. Dit gebeurt door middel van vragenlijsten en liefst ook getrapt, zodat we extra vragen kunnen stellen over onderwerpen waarvan de jongeren zelf aangeven dat ze er last van hebben.’

 

Computer

‘Een van de doelen is ook dat we zoveel mogelijk gebruikmaken van ICT. De jongere zit kort na binnenkomst in de JJI zelf achter een computer waar hij wat korte vragenlijsten kan invullen. De uitslag wordt direct gemaild naar de gedragswetenschapper. Jongeren die problemen aangeven worden dan snel gezien. Zo besparen we veel mensuren en halen we wel dezelfde kwaliteit.’

 

Vragenlijst

‘Hoe zo’n vragenlijst eruitziet? We zijn begonnen met twee vragenlijsten uit het buitenland. Een daarvan is de MAYSI (Massachusets Youth Screening Instrument). Daarop staan vragen over de laatste paar maanden, als: Heb je plezier gehad in vechten, of kreeg je een kick van vechten? Had je last van hartkloppingen als je zenuwachtig of bang was? Heb jij je te vaak eenzaam gevoeld? Heb je iets gedaan toen je dronken of high was, waarvan je zou willen dat je het niet gedaan had? De lijst vraagt zeven onderwerpen uit: angst en depressie, alcohol en drugs, suïcidale gedachten, somatische klachten, traumatische ervaringen, psychotische verschijnselen, kwaad- en prikkelbaarheid. We hebben ingezet op methodiek, want we willen het nodige doen met de uitkomsten van de screening en diagnose. De kwaad- en prikkelbaarheidsschaal heeft bijvoorbeeld in de VS laten zien dat die voorspellend is voor het aantal incidenten in een inrichting. We hebben een compleet plan gemaakt en met de instellingen bedacht wat er moet gebeuren op basis van de scores van de jongeren. Een mooi voorbeeld van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.’

 

Duizend jongeren

‘Dit is een beginmeting, dat geeft de mogelijkheid om na een paar weken te kijken hoe het dan gaat. Wat er veranderd is en waar je bijvoorbeeld op moet bijsturen. Die vervolgstappen zijn we al aan het uitwerken. We willen natuurlijk weten of het effect heeft wat we hebben gedaan. We hebben in totaal rond de 1000 jongeren gescreend in de beginfase. Daarnaast hebben we zo’n 400 jongeren extra onderzocht om te kijken hoe de methode eruit kon zien en te ontdekken of de onderzoeksmethode zo werkte als wij wilden. Daarvoor hebben we meer uitgebreide diagnostiek gedaan naar psychiatrische klachten op basis van de DSM-criteria. Gestructureerde klinische interviews om problemen in beeld te brengen. Alle gescreende jongeren kregen dus niet alleen vragenlijsten, maar ook interviews. We hebben diagnostiek na een paar maanden herhaald bij de jongeren die nog vastzaten. We hebben ook ouders benaderd, want we wilden meerdere informanten te hebben. Dat was bijzonder ingewikkeld. Ouders zijn soms moeilijk te vinden, hebben hun kind lang niet gesproken, willen niet met instanties praten en nog veel meer. Dat vroeg ook veel overleg met mensen in de inrichtingen. We hebben uiteindelijk rond de 70 ouders bereid gevonden om mee te werken. Verder hebben we intelligentietesten gedaan bij de jongeren. De jongeren moeten in ieder geval de Nederlandse taal machtig zijn. Als ze bijvoorbeeld niet zo goed kunnen lezen, zorgen we dat het voorgelezen wordt. De vragenijsten zijn nogal talig, dus mogelijk minder geschikt voor jongeren die zwakbegaafd zijn of jongeren met andere afkomst.’

 

Vervolgstappen

‘Het zou mooi zijn als ons onderzoek als gevolg heeft dat ook andere jji’s enthousiast worden voor deze vorm van screening en diagnostiek. Het doel is om eind van dit jaar, begin volgend jaar een gestandaardiseerde methodiek voor screening en diagnostiek te hebben. Daarom presenteren we dit onderzoek ook aan de directeuren van alle jji’s. We gaan ook binnen de Academische Werkplaats Forensische Zorg voor Jeugd onderzoeken hoe we gebruik kunnen maken van gestandaardiseerde groepsobservaties. We denken namelijk dat vragenlijsten beïnvloed worden door sociale wenselijkheid en het beroep op het taalvermogen van de jongeren. We hebben inmiddels ook een Europese werkgroep over de MAYSI. In andere landen zijn ze hier ook mee bezig en we vinden het belangrijk om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken. Daarover hebben we in september een meeting gehad met de Amerikaanse auteur van de MAYSI, samen met de Europese onderzoekers.’

 

ROM en ForCA

‘Voor de ForCA-deelnemers is het erg belangrijk, maar ook heel interessant om ROM een plek te geven. De sector gaat steeds meer naar erkende gedragsinterventies en evidence based werken. Daarvoor is ROM onmisbaar, omdat je wilt weten hoe je jongeren moet indiceren en of de behandeling dan ook werkt. Daarnaast wil je ook na langere tijd kijken hoe het met ze gaat. Verder vindt men het in de psychiatrie fijn om samen met de patiënt te kijiken naar wat er verbetert en waaraan  gewerkt moet worden. ForCA houdt zich ook bezig met PIJ-behandelingen. ROM kun je daar prima inzetten. Jongeren die een PIJ-behandeling volgen hebben er echter belang bij verbetering te laten zien. Dus je moet zorgen dat je een controle voor sociale wenselijkheid wel ‘inbouwt’ in je vragenlijsten en ook gebruik maakt van observatie. Verder werken we nauw samen met ROMCKAP onder meer voor de data-infrastructuur.’

 

 

Meld u aan voor de nieuwsbrief

[lblText.Text]
send