Interview met Jacqueline Roos

'Met aanpassingen die niet veel geld hoeven te kosten kan je het leven voor deze doelgroep een stuk makkelijker en prettiger maken'
 

Jacqueline Roos is orthopedagoog/GZ psycholoog en werkt als hoofd behandelzaken bij het SGLVG-behandelcentrum van Ipse de Bruggen. Dit behandelcentrum maakt deel uit van Stichting De Borg, een samenwerkingsverband tussen vier SGLVG-behandelcentra in Nederland. De organisatie heeft een aanpak ontwikkeld voor het behandelen van volwassenen met een lichte verstandelijke beperking en ernstige gedrags- en/of psychiatrische stoornissen (sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten). Die aanpak maakt deel uit van het algemeen beleid. De behandelvisie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met met Nico Overvest van De Borg.

Aan wat voor soort kenmerken moet je denken bij iemand met een lichte verstandelijke beperking?
‘Ipse De Bruggen is een grote organisatie met veel woon- en zorgafdelingen, een klein deel van onze organisatie houdt zich bezig met behandeling van de SGLVG doelgroep. Wij zitten tussen VG, GGZ en forensische sector in. Wij combineren kennis en kunde uit deze drie sectoren. Deze groep kenmerkt zich door een lichte verstandelijke beperking, een psychiatrische  of gedragsstoornis en risicovol gedrag. Cliënten die ouder zijn dan 18 jaar, een IQ hebben tussen 50 en 85 en bij wie sprake is van deze complexe combinatie worden hier behandeld. Er zijn zowel AWBZ-behandelplaatsen als forensische behandelplaatsen. Bij onze doelgroep zie je dat de problemen elkaar sterk beïnvloeden. Je ziet ook dat de mogelijkheden en bereidheid bij deze mensen vaak tekortschieten om zelf of met een lichtere vorm van zorg tot verandering te komen. De cliënten uit deze groep hebben eigenlijk altijd eerdere behandeling achter de rug. Ze hebben vaak geen vertrouwen meer in de hulpverlening en voelen zich vastzitten in hun situatie. Problemen doen zich voor op veel verschillende vlakken. Op het cognitieve vlak is er bijvoorbeeld vaak sprake van moeite  met abstract denken. Tijd en ruimte zijn dan moeilijke begrippen. Bij het begrip 'Over een paar maanden'  kan een lvg’er zich weinig voorstellen. Vaak hebben ze ook moeilijkheden met lezen en rekenen. De verstandelijke beperking heeft vrij grote consequenties voor het aanleren en oefenen van vaardigheden. Het selecteren en onthouden van informatie is vaak moeilijk is. Het denktempo ligt meestal lager en het geheugen werkt minder goed.‘

Hoe leren jullie hen dan vaardigheden aan?
‘In therapie en trainingen zorgen we dat een begeleider aanwezig is die later voor ondersteuning kan zorgen en de afspraken kan omzetten in werkdoelen. Een persoonlijk begeleider zorgt dat het geleerde in het dagelijks leven vorm krijgt, dat er geoefend wordt. Zonder hulp hoef je er niet op te rekenen dat iemand zijn geleerde inzichten spontaan kan omzetten in een gedragsverandering in het alledaagse leven. Daar hebben deze cliënten intensieve ondersteuning bij nodig. Essentieel bij deze groep is dat alles wat wordt aangeleerd vertaald wordt naar het alledaagse leven.

Hoe wordt er bij jullie gewerkt aan de gedragsstoornissen?
‘Als we signaleringsgesprekken voeren over agressie is het voor mensen moeilijk hun gevoelens te verwoorden of op te schrijven. Wanneer ervaart een cliënt onvrede of voelt iemand agressie opkomen? Wij gebruiken dan andere ondersteunde middelen; we werken niet alleen verbaal. Het is lastig voor deze groep om gevoelens te verwoorden of erover te schrijven. Dan laten we iemand bijvoorbeeld in beelden of kleuren uitdrukking geven aan zijn gevoelens. Als iemand in een conflict raakt vraagt een begeleider bijvoorbeeld 'Wat hadden we ook alweer afgesproken?'. Het antwoord is dan vaak: 'Oh ja, ik zou naar mijn kamer gaan.' Zo’n aanzetje kan helpen. Ook hebben cliënten moeite met het overzien van oorzaak-gevolg  relaties van hun handelen. Welke veranderingen haalbaar zijn binnen een behandeling hangt uiteindelijk af van de ernst van de stoornis. De één leert het eigen gedrag beter reguleren, de ander boekt minimale vooruitgang en heeft meer blijvende ondersteuning nodig. Alles wat je leert in behandeling of therapie moeten mensen oefenen in het dagelijks leven. Daarom is het therapeutisch klimaat zo belangrijk. Het leren is vooral gericht op het hier en nu. Mensen zijn de grip op hun leven kwijtgeraakt en ons doel is het leven van de cliënt te verbeteren zodat ze zo goed mogelijk deel kunnen nemen aan de maatschappij. Voor de meesten geldt echter dat ze structureel een vorm van zorg en begeleiding nodig hebben, ook na behandeling hier. Maar het is dan wel duidelijk geworden hoe de begeleiding en bejegening eruit moet zien.’

Zijn er nog meer manieren waarop jullie rekening houden met een verstandelijke beperking?
'Het therapeutisch klimaat wordt ondersteund door de omgeving en de inrichting ervan. Een voorbeeld: mensen die net binnenkomen hebben vaak slecht voor zichzelf gezorgd. Dan is het goed dat iemand in rust de maaltijden kan nuttigen. Die groep laat je aan een ruime tafel eten met een schema aan de muur wie waar zit. Bij corvee wordt indien nodig ondersteuning geboden. In een latere fase zitten ze aan een ronde tafel, is eten ook  een sociaal gebeuren. Bij zaken rondom koken en corvee wordt dan meer beroep gedaan op de samenwerking van de cliënten zelf.

Het leer- en denkproces werkt anders bij  deze groep. Je houdt er rekening mee dat ze moeite hebben om hun concentratie vast te houden, waardoor de sessies bij therapie, trainingen en modules korter duren. Prikkels en indrukken van buitenaf kunnen verwarrend zijn bij mensen met een verstandelijke beperking en worden dus in trainingssituaties gereguleerd. Qua inhoud is er sprake van veel herhaling en wordt het wat meer uitgewerkt en concreter, waardoor het begrijpelijker wordt. Tegelijkertijd moet je zorgen dat je niet te veel overneemt, dat cliënten de begeleiding wel als ondersteunend ervaren. De rol van de begeleider en een goed contact met de cliënt is daarom van groot belang.’

Als je de wijze waarop jullie SGLVG-cliënten behandelen vertaalt naar een jji, denk je dat een vergelijkbare werkwijze daar ook mogelijk is? Wat zou jij van hen willen weten als het gaat om werken met die doelgroep binnen een jji?
‘Ik weet niet hoe de zorg is georganiseerd in een JJI; of ze bijvoorbeeld aparte afdelingen hebben voor bepaalde stoornissen. Ik ben minder bekend met hun terrein, maar weet wel dat er steeds meer bekendheid is over het feit dat er in gevangenissen en forensische zorgafdelingen ook een tamelijk grote groep verblijft die kampt met een lichte verstandelijke beperking of zwakbegaafd intelligentieniveau. Ik weet niet hoe ze binnen een JJI omgaan met deze groep. In een justititiële inrichting ziet de leefomgeving er wel anders uit dan bij ons, wat mij van invloed lijkt op het (therapeutisch) klimaat.
Wij hebben zelf een besloten afdeling en binnen die setting lijkt het vaak of iemand grote vorderingen heeft gemaakt binnen de behandeling. Maar dan komt de stap naar buiten en lopen mensen toch tegen zaken aan waar ze moeite mee hebben. Dan werken we fasegewijs; we bespreken dan waar de problemen lagen, hoe iemand dat kan aanpakken een volgende keer. Dat lijkt me binnen een JJI moeilijker realiseerbaar. Ik ben wel in gevangenissen geweest, daar vergelijk ik het dan mee en ik vraag me af hoe het klimaat is. Of de omgeving en sfeer uitnodigt om veilig te  oefenen met nieuwe vaardigheden en te mogen falen, zeker als cliënten met verstandelijke beperkingen op dezelfde afdelingen zouden verblijven als normaal begaafden. Is het mogelijk een therapeutisch klimaat te scheppen waarbinnen verstandelijk beperkte cliënten vanuit een voor hun veilige situatie functioneren, wordt er rekening gehouden met hun specifieke hulpvragen?’

Wat kan het gevolg zijn voor een lvg'er die een regulier behandelingstraject moet volgen in een JJI of andere instelling?
‘Als mensen met een verstandelijke beperking een behandeling krijgen aangeboden die niet is afgestemd op hun leer- en denkstijl, ligt een nieuwe faalervaring op de loer. Mensen die al veel hebben meegemaakt zullen dan opnieuw een negatieve ervaring krijgen. Ze zullen dat als mislukking ervaren en dat komt het zelfbeeld niet ten goede. Ze krijgen het gevoel opnieuw gefaald te hebben. Met het aanpassen van bijvoorbeeld de bejegening zou je al voor een groot deel rekening kunnen houden met de verstandelijke beperking. Als iemand voor een zitting moet verschijnen, kan ik me voorstellen dat een hoop informatie niet begrepen wordt door deze mensen. Dan zou het helpen als een begeleider met de betrokken cliënt doorneemt wat er gezegd is, in begrijpelijke taal en zonodig herhalend. Allereerst moeten medewerkers de verstandelijke beperking kunnen signaleren, en dan kun je denk ik diverse aanpassingen creëren. Dat hoeven trouwens geen middelen zijn die een hoop geld kosten. Als je alleen al denkt aan meer oog voor deze mensen, meer begrip van en aandacht voor de zaken waar ze moeite mee hebben, dan wordt het leven al een stuk makkelijker en prettiger voor deze groep.’