Interview met Hendrien Kaal

'Er is echt behoefte aan een screeningsinstrument. Je moet deze mensen ontdekken.'
 

Hendrien Kaal is onderzoekster bij WODC, het kenniscentrum dat wetenschappelijke bijdragen levert aan de ontwikkeling en de evaluatie van justitiebeleid. Ze deed onder meer onderzoek naar de mogelijkheden van een specifiek aanbod voor mensen met een verstandelijke beperking.


Ik begreep dat je een tweetal onderzoeken hebt gedaan met betrekking tot mensen met een verstandelijke beperking. Wat wilde justitie onderzocht hebben?
Vorig jaar heb ik ten behoeve van forensisch zorgprogramma “Justitiële Verslavingszorg” meegewerkt aan het rapport “Een complex probleem”, waarbij de vraag was wat we weten over de complexe groep cliënten met psychiatrische problemen, in combinatie met verslavingsproblematiek en een verstandelijke beperking. Later dat jaar kwam vanuit DJI de vraag wat de omvang was van de groep mensen met een verstandelijke beperking in detentie. Dat was in 2002 al eerder onderzocht, maar men kwam toen tot de conclusie dat het onderzoek niet geslaagd was. Te weinig mensen namen deel aan het onderzoek en de gebruikte meetinstrumenten bleken niet geschikt voor een detentie-setting. Het leek uiteindelijk niet zinvol een dergelijke studie opnieuw te doen. Het kost veel geld en is een enorme investering om vervolgens percentages boven tafel te krijgen, waarbij nog maar devraag is wat je daar vervolgend mee kunt. Je krijgt in het beste geval inzicht in het IQ van een bepaalde groep met alle beperkingen die daarvoor gelden. Dezelfde problemen deden zich voor bij eerdere Nederlandse en internationale studies. Ze waren heel beperkt in omvang of er werden geen goede meetinstrumenten gebruikt. Eén conclusie was: er is behoefte aan meer kennis over waar deze groep tegenaan loopt. Je hoeft niet per se te weten hoeveel mensen met een verstandelijke beperking in detentie zitten; het is veel belangrijker om te achterhalen waar deze groep tegenaan loopt. Waar liggen hun problemen en kan je vanuit de karakteristieken van hun problematiek mensen met een verstandelijke beperking herkennen. Daar is een onderzoek  uit voortgekomen dat gericht is op mensen in detentie. Een kwalitatief onderzoek, door middel van interviews. Een andere conclusie was: er is behoefte aan een goed screeningsinstrument. Als je meer over deze groep wilt weten, moet je ze kunnen vinden. Je wilt in eerste instantie geen uitgebreide maar een snelle screening om te weten welke mensen je extra in de gaten moet houden omdat er mogelijk sprake is van een verstandelijke beperking en wie je verder wilt onderzoeken.

Hoe groot is dit kwalitatieve onderzoek en waar voeren jullie het uit?

De bedoeling is om bij drie Penitentiaire Inrichtingen mensen te interviewen: veertig mensen met een beperking en veertig zonder. Bij reguliere afdelingen, niet bij zorgafdelingen. We hopen in januari 2011 met het veldwerk te starten. Los daarvan  loopt er een onderzoek met als doel om een screeningsinstrument ontwikkelen. Dit is een samenwerkingsverband met Henk Nijman (Altrecht) en Xavier Moonen (Uva) en mijzelf. Het doel is dat op een snelle manier een meting kan worden gedaan, waarmee zo goed mogelijk voorspeld kan worden of iemand een verstandelijke beperking heeft of niet. We hebben daarvoor een publicatie van expertisecentrum De Borg als uitgangspunt genomen. Zij hebben ooit een lijst opgesteld met tips voor het herkennen van mensen met een verstandelijke beperking. Deze lijst willen wij operationaliseren in duidelijke meetbare items om te kijken welke items de beste voorspellers zijn van een LVB.

 

Er wordt met smart gewacht op dit nieuwe screeningsinstrument...
‘Daar lijkt het wel op. De wens om een dergelijk instrument te ontwikkelen vloeide in eerste instantie voort uit het onderzoek voor DJI, maar er is grote vraag naar bij reclassering, en ook bij bijvoorbeeld een politieverhoor is het handig om te weten of iemand een beperking heeft. De wil om ermee te gaan werken lijkt groot in het veld, maar dan heb je wel de handvatten nodig om dat te kunnen doen. Wat me eigenlijk heeft verbaasd, was dat er zo weinig over te vinden was, ook binnen de literatuur. Misschien heeft het een reden dat er nog geen screeningsinstrument
bestond. Detentie is niet primair gericht op behandeling; vanuit justitie-oogpunt is het dan misschien ook wel te verklaren.’

Zou er meer samengewerkt moeten worden? In het handboek ‘Vakwerk’ is veel expertise bijeen gebracht over deze doelgroep. ‘

Jazeker, binnen de VG-sector is wel heel veel kennis over deze groep. Die kennis moet ook voorhanden zijn bij de penitentiaire inrichtingen, de reclassering en de politie. Tegelijkertijd ben je er niet met alleen kennis, je hebt dat instrument nodig om de mensen eerst te vinden.’

Vind je dat justitie hier een verantwoordelijkheid in heeft?
‘Er wordt op allerlei manieren zorg geboden op de zorgafdelingen. Je komt in detentie omdat je iets gedaan hebt wat niet mag en niet om zorg te krijgen. Justitie is wel bezig met deze groep, want dat past bij het streven om de recidive stevig terug te dringen. Men is zich bewust dat je dat niet alleen door opsluiting bereikt. Vandaar ook dat het onderzoek “Een complex probleem” er op gericht was om mensen in een zorgtraject te krijgen in plaats van een detentietraject. Als je mensen een voorwaardelijke straf geeft krijgen ze detentie opgelegd, maar kunnen ze er voor
kiezen in plaats daarvan een zorgtraject in te gaan.’

Kun je iets vertellen over je werkbezoeken in een aantal buitenlandse gevangenissen. Hoe wordt daar omgegaan met LVG'ers in detentie?

‘We zijn afgelopen voorjaar met een afvaardiging op werkbezoek in Engeland geweest, met drie mensen die vanuit DJI keuzes moeten maken over onderzoek en beleid. Mijn eigen doel was om daar meer te weten te komen over het daar uitgevoerde onderzoek, dat veel omvangrijker is dan hier in Nederland. Het is wel moeilijk vergelijkbaar omdat detentie daar anders ingericht is dan hier. De  gezondheidszorg binnen detentie wordt daar bijvoorbeeld geleverd door de National Health Service. Misschien dat men daardoor wel meer vanuit de optiek van de gezondheidszorg naar de LVB-problematiek kijkt, en minder vanuit een justitieel perspectief. De wet die stelt dat
mensen, met en zonder een verstandelijke beperking, recht hebben op gelijke kansen, leidt er daar ook toe dat er veel waarde aan wordt gehecht dat er een aangepast interventieaanbod tijdens de detentie is voor mensen met een beperking. Er is daar de afgelopen jaren veel aandacht geweest voor dit onderwerp. Een groot onderzoeksproject heeft geleid tot veel rapporten. Ze weten daar tegelijkertijd ook veel niet. Soms moet je je daar mischien bij neerleggen en niet alles willen weten. Vooral de gedrevenheid van de mensen die met dit thema bezig zijn is me bijgebleven.’

Werken ze daar met een screeningsinstrument?
‘In het buitenland en in Engeland bestaat wel een instrument, maar ze hanteren andere IQ-grenzen: 55 tot 70. In Nederland valt de lvg-groep tussen de 55 en 85. We hebben hier voor zover ik weet nog niet eerder geprobeerd om een screeningsinstrument op te stellen. Het vertalen van het Engelse screeningsinstrument was voor ons geen optie. Je moet het dan toch valideren in een Nederlandse setting. Maar niet alleen de gehanteerde IQ-grenzen, maar ook culturele verschillen zijn groot. Overigens is het screeningsinstrument in zijn huidige opzet ook niet geschikt voor niet-Nederlandstaligen’

Kan dit onderzoek in de toekomst ook voor jongeren worden gebruikt?
‘Ik heb de indruk dat er meer aan diagnostiek wordt gedaan bij jongeren. Bij hen is men meer gericht op behandeling dan opsluiting, maar daar weet ik niet zo veel van. Het lijkt wel de moeite waard om de vragen die erin zitten ook voor jongeren te valideren. Maar ons onderzoek richt zich op dit moment op volwassenen. Het is belangrijk dat we juist die mensen kunnen vinden die nu niet herkend worden, en er soms ook erg hun best voor doen om hun beperking te verhullen. In Engeland spraken wij iemand die gedurende twintig jaar gevangenis in en uit was gegaan. Hij had een verstandelijke beperking en beschreef hoe mensen dit deden. Zelf kocht hij regelmatig
een krant die hij niet kon lezen. Als je zo iemand vraagt een rekensom op te lossen zal hij een excuus hebben om dit niet te doen. Uiteindelijk wil je iedereen in detentie kunnen screenen en eventueel daar waar daar reden toe is verder onderzoeken. Door een assessment van de sterke en zwakke plekken in de intelligentie van betrokkene aangevuld met informatie over zelfredzaamheid. De mensen moeten wel willen meewerken, dat blijft. Ik ben van mening dat je met een screeningsinstrument dat is opgenomen in een standaardprotocol de grootste kans van slagen van hebt.’